Home > Blog > Frans modehuis blokkeert doorverkoop restvoorraad

Frans modehuis blokkeert doorverkoop restvoorraad

Het Franse modehuis treedt met succes op als houdster van het woordmerk GUY LAROCHE en beeldmerk GL, beide Uniemerken, tegen inbreuken door 4 Every Ware. [1] Hier ging echter het een en ander aan vooraf.

In 2012 sluit Guy Laroche een licentieovereenkomst af met Textiles Oliviers Mercier SARL (hierna: TOM) om handdoeken, badjassen, kussenslopen e.d. te verkopen. Dit in het kader van een exclusieve loyaliteitsactie bij de Franse supermarktketen Carrefour. TOM spreekt daarna met Promeco N.V. af dat zij de voorraad die na de actie overblijft mag verkopen. Deze sub-licentiëring wordt onder bepaalde voorwaarden goedgekeurd door Laroche.

In 2013 sluit Guy Laroche weer een licentieovereenkomst af met TOM. Nu met een loyalty actie bij de Belgische Carrefour. Zij maken deze keer de afspraak dat TOM geen enkele actie zal ondernemen zonder voorafgaande toestemming van Laroche en dat het doorverkopen van de restvoorraad niet is toegestaan. Toch spreekt TOM weer met Promeco af dat zij ook na deze actie de restvoorraad mag verkopen. Promeco verkoopt de producten door aan de Belgische vennootschap Boxter, waarvan de bestuurder toevallig dezelfde blijkt te zijn als die van Promeco en ook op hetzelfde adres is gevestigd. Boxter zou de producten enkel leveren als relatiegeschenken en niet op de markt brengen door middel van verkoop. Boxter verkoopt de producten toch door aan 4 Every Ware, waarbij Boxter merkwaardig genoeg stelt dat Laroche goedkeuring heeft gegeven.

De vraag die rijst is: kan Guy Laroche zich op grond van haar Uniemerken verzetten tegen de (verdere) verhandeling door 4 Every Ware van de merkproducten die na de actie bij Carrefour België onverkocht waren gebleven?

4 Every Ware stelt van niet en beroept zich op de uitputting van de merkrechten van Guy Laroche (art. 13 Uniemerkverordening, in werking vanaf 23 maart 2016). Zij meent dat de producten met toestemming van Laroche in de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht, namelijk middels de supermarkten-actie. 4 Every Ware doet daarmee een beroep op de tekst van art. 13 UMVo: Een Uniemerk verleent de houder niet het recht het gebruik daarvan te verbieden voor waren die onder dit merk door de houder of met diens toestemming in de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht. De rechtbank in Den Haag doet als eerste uitspraak over de toepassing van art. 13 UMVo op dit gebied en maakt korte metten met de stelling van 4 Every Ware mee. Het enkele te koop aanbieden is volgens de rechter niet gelijk aan het in de handel brengen in de zin van art. 13 Uniemerkverordening. De merkhouder mag namelijk niet worden beperkt in zijn controle op de merkproducten die voor het eerst binnen de Gemeenschap in de handel worden gebracht. In de handel brengen omvat dus het te koop aanbieden van producten én controle van de merkhouder. Indien de producten door een licentiehouder op de markt zijn gebracht, dan wordt de toestemming van de merkhouder verondersteld. De licentiehouder kan immers ook de controle uitvoeren. [2] De rechter vindt dat deze redenering ook opgaat voor sub-licentiëring. Daarbij maakt de rechter de kanttekening dat het voorgaande niet opgaat in geval de licentiehouder in strijd handelt met de licentieovereenkomst.

2.png

In casu betekent dit het volgende. De producten zijn door TOM, licentiehouder, te koop aangeboden. Omdat zij licentiehouder is, wordt de toestemming van merkhouder Guy Laroche geïmpliceerd. Vervolgens worden de producten door Promeco, sub-licentiehouder, doorverkocht. Ook hierbij gaat dezelfde redenering op en omvat de verkoop door Promeco de toestemming van merkhouder Laroche. TOM zorgt echter voor een kink in de kabel. Zij heeft namelijk in strijd gehandeld met de bepalingen van de licentieovereenkomst. De hele redenering van uitputting gaat hierdoor niet op. Laroche kan alsnog haar merkrechten inzetten. Aangezien 4 Every Ware geen toestemming had van Laroche om de Uniemerken te gebruiken, dient ze de inbreuk te staken en gestaakt te houden en een schadevergoeding (van een nog onbekende hoogte) te betalen (art. 9 lid 1 onder a Uniemerkenverordening).


[1] Rb. Den Haag 14 september 2016, ECLI:NL:RBDH:2016:10887

[2] Redenering uit het Copad-arrest. HvJ EG 23 april 2009, C-59/08(12), IEPT20090423 (Copad/Dior)